Koninklijk besluit van 15/10/1979  betreffende de private radioverbindingen

Ook hier zijn de te kennen artikels in een kader gezet: 3, 4, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 31 en 32

 

 

Koninklijk Besluit van 15 oktober 1979, betreffende de private radioverbindingen.

15 OKTOBER 1979

 

Algemene bepalingen

 

Artikel 1

 

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

       Reglement betreffende de radioverbindingen: het Reglement betreffende de radioverbindingen gevoegd bij het Internationaal Verdrag betreffende de televerbindingen en gepubliceerd door het Algemeen Secretariaat van de Internationale Unie betreffende de televerbindingen;

 

       ministeriële vergunning: de vergunning om een station of een net voor radioverbinding te doen werken, die voorgeschreven is bij het artikel 3, 1e lid van de wet van 30 juli 1979, betreffende de radioberichtgeving;

 

       vast station: een station voor radioverbinding dat bestendig op een bepaalde plaats opgesteld is;

 

       vast net: een net voor radioverbinding dat uitsluitend het realiseren van verbindingen tussen vaste stations mogelijk maakt;

 

       mobiel net: een net voor radioverbinding dat het realiseren mogelijk maakt van verbindingen tussen een of meer basisstations en een of meer mobiele stations, of tussen verscheidene mobiele stations;

 

       basisstation: een station voor radioverbinding van een mobiel net dat bestendig op een bepaalde plaats is opgesteld;

 

       mobiel station: een station voor radioverbinding dat gebruikt kan worden wanneer het in beweging is of stilstaat op om het even welke plaats.

De Minister kan verscheidene soorten van mobiele stations onderscheiden en bepalen volgens hun wijze van voeding of de aard van hun drager;

 

       vermogen van station: het gemiddeld vermogen van de niet gemoduleerde draaggolf die aan de uitgang van het zendtoestel beschikbaar is.

 

Wanneer, bij het ontbreken van modulatie, de draaggolf wordt verminderd of opgeheven, wordt het piekvermogen als vermogen beschouwd, dit wil zeggen het aan de uitgang van het zendtoestel beschikbaar gemiddeld vermogen van de gemoduleerde golf dat overeenstemt met de maximum amplitude van de modulatieomhullende;

 

       staat van kenmerkende gegevens van een station: de bondige beschrijving van zijn karakteristieken inzonderheid het merk, het type, het gebruik en het zendvermogen;

 

10°      roepnaam van een station: een combinatie van letters of van letters en cijfers die het Instituut aan dit station toekent, overeenkomstig de voorschriften van het Reglement betreffende radioverbin-dingen, ten einde de identificatie ervan mogelijk te maken;

 

11°      exclusieve frequentie: een frequentie in een bepaalde zone toegewezen voor de werking van de stations voor radioverbinding van één enkele titularis van een ministeriële vergunning, hierbij rekening houdend met de dichtheid van de bezetting en met de te bekomen dienstkwaliteit;

 

12°      gemeenschappelijke frequentie: een frequentie in een zelfde zone toegewezen voor de werking van de stations voor radioverbinding van verscheidene titularissen van een ministeriële vergunning, rekening houdend met de dichtheid van de bezetting en de te bekomen dienstkwaliteit;

 

13°      collectieve frequentie: een frequentie in om het even welke zone van het Rijk toegewezen voor de werking van de stations voor radioverbinding van verscheidene titularissen van een ministeriële vergunning, zonder rekening te houden met de dichtheid noch met de te bekomen dienstkwaliteit;

 

14°      niet essentiële uitstraling: elke uitstraling voortgebracht door een station voor radioverbinding buiten de voor zijn werking toegewezen frequentie en waarvan het peil verminderd kan worden zonder de kwaliteit van de radioverbindingen aan te tasten.

 

Artikel 2

 

Dit besluit is van toepassing op alle zend- of ontvangtoestellen en stations of netten voor radioverbinding, met uitzondering van de radio-omroepstations, de stations voor radioverbinding aangelegd aan boord van een zeeschip of luchtvaartuig en de stations of netten voor radioverbinding in werking gesteld door:

 

a)      [Opgeheven door art. 18 van het Koninklijk besluit van 7 oktober 1994 houdende de machtiging van Belgacom om een dochteronderneming te betrekken bij de uitvoering van sommige van haar taken van openbare dienst inzake mobilophonie (ongepubliceerd) en door art. 16 van het Koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende satellietgrondstations (BS, 27 juni 1998)]

 

b)      de diensten die onder de Minister van Landsverdediging ressorteren, de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en de Geallieerde Strijdkrachten, voor militaire doeleinden en met het oog op de openbare veiligheid;

 

c)       het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart voor de behoeften en de veiligheid van en het toezicht op de zee- en binnenvaart;

 

d)      de Regie voor Maritiem Transport voor de behoeften en de veiligheid van de zeevaart;

 

e)      de Regie der Luchtwegen voor de behoeften en de veiligheid van de luchtvaart;

 

f)          de openbare radio-omroepdiensten voor de behoeften van hun uitzendingen;

 

f)        de Rijkswacht.

 

[Ingevoegd door art. 1 van het Koninklijk besluit van 2 maart 1992 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 28 mei 1992)]

 

Artikel 3

 

De gemachtigde stations en netten voor radioverbinding worden gerangschikt in een van de volgende categorieën, volgens hun bestemming en de wijze waarop zij werken:

 

1e categorie: mobiele netten aangelegd:

a)      met beroeps- of veiligheidsdoeleinden, met uitzondering van die welke in de 3e, 4e of 6e categorie gerangschikt kunnen worden;

b)      door ondernemingen die in de techniek van de radioverbindingen gespecialiseerd zijn en op veranderlijke en onbepaalde plaatsen proefnemingen in verband met de voortplanting van de golven verrichten;

 

2e categorie: vaste netten aangelegd:

a)      met beroepsdoeleinden, veiligheidsdoeleinden of doeleinden van openbaar nut, met uitzondering van die welke in de 6e categorie gerangschikt kunnen worden;

b)      door instellingen of organismen voor sociale hulp, met zuiver humanitaire doeleinden en zonder winstoogmerken, met het doel oude of gehandicapte afgezonderd wonende personen in de mogelijkheid te stellen oproepseinen voor hulpverlening naar een centraal station te zenden;

c)       [Opgeheven door art. 17 van het Koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende satellietgrondstations (BS, 27 juni 1998)]

 

3e categorie: mobiele netten aangelegd met veiligheidsdoeleinden of met doeleinden van openbaar nut door:

a)      de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, de intercommunales die enkel uit publiekrechtelijke personen samengesteld zijn, alsmede de instellingen die van een van die machten afhangen;

b)      de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

c)       de universitaire ziekenhuizen;

d)      het Belgische Rode Kruis;

met uitzondering van die welke in de 4e of 6e categorie gerangschikt kunnen worden;

 

4e categorie: mobiele netten aangelegd met beroepsdoeleinden en die uitsluitend op collectieve frequenties werken, met uitzondering van die welke in de 6e categorie gerangschikt kunnen worden;

 

5e categorie: stations voor individuele opleiding, technische berichtenwisseling en studies, gebruikt door radioamateurs, dit wil zeggen, door personen die uitsluitend te persoonlijken titel en zonder winstoogmerken belangstellen in de techniek van de radio-elektriciteit.

Deze categorie wordt onderverdeeld in de secties A, B en C. De Minister bepaalt de toegangs-voorwaarden tot elk van die secties.

 

6e categorie: vaste en mobiele netten aangelegd met beroeps-, didactische- of veiligheidsdoeleinden in een bepaald gebied dat de omheining van een beroeps- of onderwijsgebouw of de grenzen van een complex, een werf of een zelfde eigendom niet overschrijdt;

 

7e categorie: individuele stations uitsluitend bestemd voor de afstandsbediening van kleine modellen;

 

8e categorie: individuele stations voor radiotelefonische berichtenwisseling, afgeregeld op een of meer collectieve frequenties en voor diverse doeleinden gebruikt.

De Minister bepaalt de frequenties waarop deze stations mogen werken.

 

[Gewijzigd door art. 1 van het Koninklijk besluit van 6 juli 1989 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 11 augustus 1989)]

 

Artikel 4

 

Ongeacht de verplichtingen waaraan de titularissen van een ministeriële vergunning onderworpen zijn en de voorwaarden waaraan de gemachtigde stations en netten voor radioverbinding moeten voldoen, mag de Minister speciale voorwaarden vaststellen voor het gebruik van de individuele stations van de 5e, 7e en 8e categorie.

In bijzondere gevallen mag hij eveneens alle passende maatregelen voorschrijven of zijn gemachtigde bevoegd verklaren deze voor te schrijven, ten einde niet essentiële uitstralingen van stations voor radioverbinding die schadelijke storingen veroorzaken of van aard zijn deze te veroorzaken, op te heffen of tot een aanvaardbaar peil te verminderen.

 

Deze maatregelen mogen te allen tijde getroffen worden zonder dat de titularis van de ministeriële vergunning rechten op om het even welke schadevergoeding kan doen gelden.

 

 

Regels inzake de aflevering, de geldigheid en de intrekking van de ministeriële vergunningen.

 

Artikel 5

 

Zijn niet onderworpen aan de vergunningen bedoeld in artikel 3, ' 1 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving:

 

       de stations of netten voor radioverbinding in werking gesteld door het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart, de Regie voor Maritiem Transport en de Regie der Luchtwegen voor de doeleinden die respectievelijk in de punten c), d) en e) van het artikel 2 worden bedoeld;

 

       de stations opgesteld aan boord van schepen en luchtvaartuigen van vreemde nationaliteit die bij gelegenheid in het Rijk komen, indien deze stations reeds gedekt zijn door een vergunning van de regering van het land waarvan het schip of het luchtvaartuig waarop zij zich bevinden, afhangt;

 

       de door het Instituut goedgekeurde radio-elektrische uitrustingen waarvan het zendvermogen 10 milliwatt niet overschrijdt;

 

       de door het Instituut goedgekeurde systemen voor radioplaatsbepaling en radio-detectie waarvan het schijnbaar uitgestraald vermogen dat wordt bekomen door het uitgangsvermogen van het zendtoestel te vermenigvuldigen met de antennewinst, 0,500 watt niet overschrijdt;

 

       de door het Instituut goedgekeurde uitrustingen voor het ontvangen van de uitzendingen van de radioamateurs;

 

       de amateur-stations, gehouden door personen die in het buitenland wonen en minder dan drie maanden in het Rijk verblijven, indien het aanleggen en het doen werken van die stations gedekt zijn door een vergunning afgegeven door de overheid van: Albanië, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Joegoslavië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, San-Marino, Spanje, Tsjecho-Slowakije, Turkije, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, Zweden of Zwitserland,

 

[Gewijzigd door het Koninklijk besluit van 19 juni 1992 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 12 augustus 1992)]

 

welke vergunning de volgende inlichtingen vermeldt:

a)      de naam en het adres van de titularis;

b)      de roepnaam;

c)       de geldigheidsduur;

d)      de klasse van de vergunning:

 

Klasse I, die het gebruik van alle aan de radioamateurs toegewezen frequentiebanden toelaat;

Klasse II, die het gebruik van alle aan de radioamateurs toegewezen frequentiebanden boven 144 MHz toelaat;

Klasse III, die enkel het gebruik van de frequentieband 144-146 MHz toelaat;

 

e)      de verklaring dat het amateur-station voldoet aan de bepalingen van de ter zake uitgevaardigde aanbeveling van de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en Telecommunicatie (CEPT);

 

f)        de naam van de overheid die de vergunning afgegeven heeft;

 

[Aangevuld door art. 1 van het Koninklijk besluit van 17 november 1987 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 8 december 1987)]

 

7° a)    de radiotelefonen functionerend in de 27 MHz-band, gehouden door personen gedomicilieerd in het buitenland en minder dan drie maand in het Rijk verblijvend, die goedgekeurd zijn in een land van de zone bestreken door de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en Telecommunicatie (CEPT) en die een goedkeuringsmerkteken dragen onder de volgende vorm:

CEPT PR27.

    b)     de radiotelefonen functionerend in de 27 MHz-band, gehouden door personen gedomicilieerd in het buitenland en minder dan drie maand in het Rijk verblijvend, die afkomstig zijn uit andere landen dan die van de CEPT, indien de houder in het bezit is van een document afgeleverd door het land van herkomst waaruit blijkt dat zijn station voldoet aan de bepalingen van een overeenkomst die terzake met dit land werd gesloten.

[Gewijzigd door art. 2 van het Koninklijk besluit van 19 juni 1992 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen(BS, 12 augustus 1992)]

 

       de stations van de landmobiele dienst, gehouden door personen die in het buitenland wonen en minder dan drie maanden in het Rijk verblijven, indien het aanleggen en het doen werken van die stations gedekt zijn door een vergunning afgeleverd door de overheid van:

Cyprus, Denemarken, Duitsland (Bondsrepubliek), Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Ijsland, Italië, Joegoslavië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, San-Marino, Spanje, Turkije, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, Zweden of Zwitserland,

welke vergunning de volgende inlichtingen vermeldt:

a)      de naam en het adres van de titularis;

b)      in voorkomend geval, de roepnaam;

c)       de geldigheidsduur;

d)      de verklaring dat de stations in het Rijk mogen gebruikt worden op basis van een overeenkomst afgesloten tussen de overheid van het land van herkomst en de Minister ; indien een dergelijke verklaring in de vergunning niet is vermeld mag het station in het Rijk niet worden gebruikt;

e)      de naam van de overheid die de vergunning afgegeven heeft;

 

       de zend- en ontvangtoestellen alsmede de stations en netten voor radioverbinding van de Rijkswacht.

 

[Ingevoegd door art. 2 van het Koninklijk besluit van 2 maart 1992 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 28 mei 1992)]

 

10°      de mobiele stations voor de openbare pan-Europese cellulaire digitale landmobiele communicatiedienst, GSM genaamd, die goedgekeurd zijn in een land van de zone bestreken door de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en Telecommunicatie (CEPT) en die een goedkeuringsmerkteken dragen onder de volgende vorm:

CEPT GSM..

 

11°      de OMNITRACS terminals van de landmobiele dienst per satelliet EUTELTRACS, goedgekeurd volgens de procedures vastgelegd door de Europese Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten (EUTELSAT) en die een goedkeuringsteken dragen onder de volgende vorm:

EUTELSAT/ET-LM/.....

 

12°      de terminals van de landmobiele dienst per satelliet INMARSAT-C, goedgekeurd volgens de procedures vastgelegd door de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten (INMARSAT) en die een goedkeuringsteken dragen onder de volgende vorm:

INMARSAT-C/LM/....

 

13° de draadloze microfonen die door het Instituut zijn goedgekeurd;

 

14° de inrichtingen bestemd voor de overzending van een alarmsignaal waarvan het vermogen de 500 mW niet overschrijdt en die door het Instituut zijn goedgekeurd.

 

[Aangevuld door art. 3 van het Koninklijk besluit van 19 juni 1992 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 12 augustus 1992)]

 

Artikel 6

 

De vergunning om een net voor radioverbinding aan te leggen en te doen werken wordt maar verleend in de gevallen waarin de beoogde verbindingen beantwoorden aan een behoefte die, wegens haar aard, niet kan worden bevredigd door een beroep te doen op een ander middel van televerbindingen.

 

De kosten van de uitrustingen en van hun exploitatie zijn geen doorslaggevende factoren om de onmogelijkheid van een dergelijk beroep te rechtvaardigen.

 

Wanneer technische moeilijkheden beletten alle aanvragen om vergunning in te willigen kunnen prioriteiten worden vastgesteld overeenkomstig de behoeften inzake veiligheid of economie.

 

[Gewijzigd door art. 3 van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot aanpassing van de wetten van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en teledistributienetten en betreffende de handelpubliciteit op radio en televisie, en van de reglementering betreffende de radioberichtgeving aan de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (BS, 15 april 1994 en door art. 18 van het Koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende satellietgrondstations (BS, 27 juni 1998)]

 

Artikel 7

 

De ministeriële vergunningen worden aan fysieke personen of rechtspersonen afgeleverd, onder de algemene voorwaarden die werden vastgesteld bij toepassing van het artikel 3, § 3 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en eventueel onder de speciale of bijzondere voorwaarden voorgeschreven krachtens het artikel 4 van dit besluit.

 

Al wie om een vergunning verzoekt wordt verondersteld zich te verbinden die voorwaarden te eerbiedigen.

De vergunning om een individueel station voor radioverbinding te doen werken wordt maar verleend aan fysieke personen of aan rechtspersonen die als vereniging zonder winstoogmerken werden opgericht. Indien het om een fysieke persoon gaat, moet hij ten volle 13 jaar oud zijn.

 

[gewijzigd door art. 1 van het Koninklijk besluit van 18 december 1986 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 24 december 1986)]

 

Indien de aanvrager evenwel een fysieke persoon is die minder dan 18 jaar oud is, wordt de aflevering van de vergunning ondergeschikt aan de schriftelijke instemming van de vader, van de moeder, van de voogd of van de persoon die er materieel zorg voor draagt.

 

Artikel 8

 

§1.       Elke vergunning die de werking van een individueel station voor radioverbinding dekt vermeldt de categorie waarin dit station wordt gerangschikt, zijn roepnaam en, naargelang het om een vast of een mobiel station gaat, de plaats van zijn opstelling of zijn aard en, eventueel, de identificatie van zijn drager.

 

§2.       Elke vergunning die de werking van een net voor radioverbinding dekt vermeldt:

-          de samenstelling van het net en de categorie waarin het wordt gerangschikt;

-          de opstellingsplaats van de eventuele vaste stations of basisstations, hun staat van kenmerkende gegevens en de hoogte van hun antenne;

-          de roepnaam van deze stations;

-          de toegewezen frequentie of frequenties;

-          de specifieke activiteit voor de uitoefening waarvan de radioverbindingen toegelaten zijn;

-          indien het om een net van de 6e categorie gaat de nauwkeurige grenzen van het werkingsgebied van dit net.

 

De mobiele stations van een net maken het voorwerp uit van speciale vergunningen die de wettelijkheid bevestigen van hun gebruik in het kader van de ministeriële vergunning die het geheel van het net dekt.

 

Elke speciale vergunning vermeldt de staat van kenmerkende gegevens van het bedoelde station, zijn roepnaam, zijn aard en eventueel de identificatie van zijn drager.

 

Artikel 9

 

Onverminderd de humanitaire bestemming van de vaste netten bedoeld in punt b) van de 2e categorie bepaald in het artikel 3, is het aan de titularis van een ministeriële vergunning verboden de radioverbindingen voor rekening of ten voordele van derden uit te zenden of te ontvangen.

 

De minister of zijn gemachtigde mag evenwel, onder de voorwaarden die hij vaststelt en alleen voor netten van de 1e, de 2e a) of de 4e categorie afwijkingen van dit verbod toestaan, voor zover dat:

 

       de activiteit voor de uitoefening waarvan de ministeriële vergunning wordt toegestaan, een dergelijke afwijking rechtvaardigt;

       de radioverbindingen die krachtens de toegestane afwijking worden tot stand gebracht, tot die specifieke activiteit beperkt blijven;

       de titularis van de vergunning uit deze afwijking geen rechtstreeks of zijdelings geldelijk voordeel trekt.

 

Artikel 10

 

De Ministeriële vergunning verleent aan haar titularis geen enkel monopolie of voorrecht, onder meer wat betreft het bezetten van het openbaar domein om de toegelaten radioverbindingen uit te zenden.

Zij belet niet dat gelijkaardige vergunningen worden verleend aan personen die activiteiten van dezelfde aard uitoefenen.

 

Zij ontslaat de titularis niet van de verplichting zich te onderwerpen aan alle andere wettelijke of reglementaire voorschriften die van kracht zijn, onder andere aan die welke de distributie van elektrische energie regelen.

 

Artikel 11

 

Bij elk station voor radioverbinding moet zich bestendig bevinden, ofwel de ministeriële vergunning die rechtstreeks het houden of het gebruik ervan dekt, ofwel de speciale vergunning die de wettelijkheid van zijn gebruik bevestigt in het kader van de ministeriële vergunning die de werking van een net voor radioverbinding dekt.

 

Deze titel moet worden getoond op elk verzoek van de bevoegde controleoverheden.

 

In geval van verlies, diefstal of beschadiging van dat document moet daarvan aangifte worden gedaan bij het Instituut, die het document vervangt, eventueel na onderzoek van de aangevoerde omstandigheden door de gemeentelijke politie.

 

Een fotokopie van het origineel is waardeloos.

 

Artikel 12

 

Een ministeriële vergunning dekt in geen enkel geval het gebruik van een zend- of een ontvangtoestel voor radioverbinding dat niet door het Instituut werd goedgekeurd.

 

Elk gebruik van een niet goedgekeurd toestel of van een toestel dat technisch werd gewijzigd in vergelijking met het door het Instituut goedgekeurd model, zelfs als het gedekt is door een titel die aan alle vormvereisten voldoet, brengt de onmiddellijke intrekking van de ministeriële vergunning mede.

 

Artikel 13

 

Ieder onrechtmatig gebruik van een individueel station voor radioverbinding of van een station van een net voor radioverbinding, zelfs door een andere persoon dan de houder van de ministeriële vergunning, heeft de onmiddellijke intrekking van die vergunning tot gevolg.

 

Artikel 14

 

De ministeriële vergunning is niet vatbaar voor overdracht.

 

In geval van opzegging of verval moet zij zonder verwijl en onder een ter post aangetekende omslag naar het Instituut worden teruggezonden.

 

Indien het om een vergunning gaat die de werking van een net voor radioverbinding dekt, moeten al de in het kader van die vergunning afgeleverde speciale vergunningen eveneens worden gerestitueerd.

 

Iedere ministeriële vergunning die in handen komt van een derde is voor deze laatste waardeloos.

 

Artikel 15

 

§1.       Al wie onverwachts in het bezit komt van een station voor radioverbinding zonder persoonlijk gemachtigd te zijn het te houden of het te gebruiken beschikt, van het ogenblik af dat het houden aanvangt, over een termijn van zestig dagen om de vergunning aan te vragen, ofwel om dit station te doen werken, indien hij de vereiste voorwaarden vervult, ofwel om het te houden gedurende de tijd nodig om een verwerver te vinden die behoorlijk gemachtigd is het te gebruiken.

 

Dit station mag niet werken zolang tot dit doel door de houder geen ministeriële vergunning werd bekomen.

 

Na de termijn van zestig dagen, wordt het niet geregulariseerd houden vatbaar voor de strafmaatregelen waarin de wet voorziet.

 

§2.       Al wie onverwachts in het bezit komt van verscheidene stations of van het geheel van de stations van een net voor radioverbinding zonder persoonlijk gemachtigd te zijn deze te houden of deze te gebruiken moet zich, voor elk van de stations afzonderlijk, schikken naar de voorschriften van §1.

 

Wanneer de onverwachte inbezittreding voortspruit uit het overlijden, het faillissement of de wijziging van de maatschappelijke naam van de persoon die vroeger gemachtigd was het bedoelde net te doen werken en dit net niet inactief kan blijven zonder de bedrijvigheid waarvan het de uitoefening vergemakkelijkt ernstig te schaden, mogen de stations voorlopig in dienst worden gehouden op basis van de ministeriële vergunning en van de speciale vergunningen die aan de vroegere exploitant werden afgeleverd, voor zover:

a)      de regularisatie door de nieuwe exploitant binnen de voornoemde termijn wordt aangevraagd;

b)      de voorwaarden van de bestaande ministeriële vergunning gedurende de tussentijdse periode nageleefd worden.

 

Artikel 16

 

De Minister of zijn gemachtigde kan een ministeriële vergunning op elk ogenblik schorsen of intrekken, onder meer wanneer de titularis:

a)      de voorwaarden niet naleeft waaronder die vergunning werd afgeleverd;

b)      weigert maatregelen te treffen, voorgeschreven om door zijn station of stations voor radio-verbinding veroorzaakte storingen op te heffen;

c)       de bij toepassing van het artikel 22 verschuldigde rechten niet binnen de vastgestelde termijnen betaalt.

 

De schorsing of de intrekking wordt aan de titularis met een ter post aangetekende brief medegedeeld.

 

De geschorste of ingetrokken vergunning moet onder een ter post aangetekende omslag aan de Minister of zijn gemachtigde worden teruggezonden binnen de termijn die hij vaststelt.

 

Indien het om een vergunning voor het doen werken van een net voor radioverbinding gaat, moeten alle in het kader van deze vergunning afgeleverde speciale vergunningen eveneens worden gerestitueerd.

 

De schorsing of de intrekking geeft geen aanleiding tot enige vergoeding noch terugbetaling van de eventuele gekweten rechten voor het jaar waarin zij wordt uitgesproken.

 

 

Toewijzing van de frequenties

 

Artikel 17

 

Het Instituut wordt belast met het beheer van het radio-elektrisch frequentiespectrum en met de controle van het gebruik ervan in het Rijk.

 

Zij wijst de frequenties toe die nodig zijn voor de werking van de gemachtigde stations en netten voor radioverbinding en coördineert die frequenties zowel op het nationale als op het internationale vlak.

 

Voor de toewijzing van frequenties schikt zij zich naar de voorschriften van het Reglement betreffende de radioverbindingen en voor hun coördinatie, naar de bepalingen van de op dit stuk gesloten internationale, regionale of bijzondere overeenkomsten.

 

Artikel 18

 

De exclusieve frequenties worden toegewezen aan netten voor radioverbinding die, om reden van hun belangrijkheid, de omvang van hun verkeer en de aard van de radioverbindingen, behoefte hebben aan een hoge dienstkwaliteit.

 

De gemeenschappelijke frequenties zijn bestemd voor de professionele of veiligheidsnetten waarvan het verkeer, door zijn omvang, een normale dienstkwaliteit vereist. Zij kunnen worden toegewezen aan titularissen van een ministeriële vergunning die activiteiten van dezelfde aard uitoefenen.

 

De collectieve frequenties worden ter beschikking gesteld van sommige individuele stations voor radioverbinding en van de netten waarvan het verkeer beperkt is in de tijd.

 

De Minister bepaalt de disciplinevoorschriften die door de gebruikers van de gemeenschappelijke of collectieve frequenties moeten worden nageleefd met het doel hen vooraf tegen wederkerige storingen te beschermen. Hij kan hen eventueel het gebruik van selectieve oproepuitrustingen opleggen.

 

Artikel 19

 

Elke voor de werking van een net voor radioverbinding toegewezen frequentie kan op ieder ogenblik teruggenomen of door een andere vervangen worden zonder dat het Instituut verplicht is de reden van haar beslissing mede te delen.

 

Die maatregel maakt het voorwerp uit van een aanhangsel aan de ministeriële vergunning.

 

Het gebruik van een niet toegewezen frequentie of het in dienst houden van een teruggenomen of vervangen frequentie brengt de schorsing of intrekking van de ministeriële vergunning mede.

 

Artikel 20

 

De titularis van een vergunning om een net voor radioverbinding van de 1e, 2e, 3e of 6e categorie te doen werken, aan wie om redenen van openbaar belang een frequentieverandering wordt opgelegd, mag schriftelijk een gehele of gedeeltelijke schadeloosstelling aanvragen van de door deze frequentieverandering veroorzaakte kosten voor wijziging van zijn zend- of ontvangtoestellen.

 

De Minister oordeelt over de gegrondheid van het recht op de schadeloosstelling, op gemotiveerd advies van het Instituut.

 

De schadeloosstelling wordt maar toegestaan voor de kosten tot wijziging van de stations die op de datum waarop de frequentieverandering werd genotificeerd minder dan vijf jaar in dienst zijn.

 

De vergoeding dekt slechts de kosten die inherent zijn aan de frequentieverandering.

 

Zij wordt nooit verleend wanneer deze verandering uitsluitend voortspruit uit:

a)      de toepassing van een internationale overeenkomst gesloten na de aflevering van de vergunning om het bedoelde net voor radioverbinding te doen werken;

b)      een structurele wijziging van het net, inzonderheid uit een verplaatsing van de vaste stations of basisstations, uit een verhoging van hun vermogen of van de hoogte van hun antenne;

c)       de noodzakelijkheid een storing op te heffen.

 

 

Rechten

 

Artikel 21

 

Elke aanvraag om een ministeriële vergunning geeft aanleiding tot de betaling van een recht bestemd om de kosten voor het onderzoek van het dossier te dekken.

 

Dit recht, dat een enkele maal voor de aflevering van de vergunning betaald moet worden, wordt vastgesteld op:

F 4 000 voor de vergunningen betreffende de netten voor radioverbindingen van 1e, 2e en 3e categorie;

F 2 000 voor de vergunningen betreffende de netten voor radioverbindingen van 4e en 6e categorie;

F 1 000 voor de vergunningen betreffende de individuele stations van 5e, 7e en 8e categorie.

 

De in lid 2 vermelde bedragen worden elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

 

De in lid 3 bedoelde aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand december die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand december 93.

 

Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendste al of niet vijf bereikt.

 

Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere tiental naargelang het cijfer van de eenheden al of niet vijf bereikt.

 

[Ingevoegd door art. 1 van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 15 april 1994)]

 

De personen die aangetast zijn door een gebrekkelijkheid om reden waarvan hun een bestendige invaliditeit of werkonbekwaamheid van ten minste 80 % werd toegekend, kunnen vrijgesteld worden van de betaling van het recht waarin dit artikel voorziet voor de vergunningen betreffende de individuele stations van de 8e categorie.

 

Deze vrijstelling wordt toegestaan op voorlegging van een certificaat afgeleverd door de bevoegde overheid (Ministerie van Sociale Voorzorg - Toelage aan gehandicapten), dat het percentage van de bestendige invaliditeit of werkonbekwaamheid vermeldt of van een afschrift van dit document dat door het gemeentebestuur voor eensluidend werd verklaard.

 

De aanvragers van een vergunning van de 5e categorie moeten, per aanvraag, 900 BEF betalen om te mogen deelnemen aan het A-examen of aan het B-examen en 450 BEF om te mogen deelnemen aan het C-examen.

 

[Ingevoegd door art. 2 van het Koninklijk besluit van 18 december 1986 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 24 december 1986)]

 

Artikel 22

 

De titularissen van een ministeriële vergunning zijn verplicht een jaarlijks recht te betalen dat bestemd is om de kosten voor controle van de stations en netten voor radioverbinding en het toezicht op de uitzendingen te dekken.

Dit recht wordt, volgens de rangschikking van de gemachtigde stations en netten, bepaald overeenkomstig het barema dat voorkomt in de bijlage 1 bij dit besluit.

 

Het barema wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

 

De in lid 3 bedoelde aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand december die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand december 93.

 

Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendste al of niet vijf bereikt.

 

Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het onmiddellijk hogere of lagere veelvoud van 12 naargelang de bedragen dichter bij het ene of het andere veelvoud liggen.

 

[Ingevoegd door art. 2 van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 15 april 1994)]

 

Artikel 23

 

Onverminderd de voorschriften van het eerste lid van het artikel 24, zijn de in het artikel 22 bedoelde rechten betreffende de stations en netten voor radioverbinding die op 1 januari van een jaar in dienst zijn verschuldigd voor dat ganse jaar en moeten uiterlijk op 31 januari van het jaar waarop zij betrekking hebben betaald worden.

 

De rechten betreffende de in de loop van het jaar in dienst gestelde stations en netten zijn maar verschuldigd naar rata van het aantal tot 31 december nog te lopen maanden; elke begonnen maand wordt voor een volle maand gerekend. In dit geval, moeten zij worden betaald binnen de termijn vastgesteld door het Instituut.

 

Artikel 24

 

Wanneer de Minister of zijn gemachtigde een tijdelijke vergunning verleent om een individueel station of een net voor radioverbinding te doen werken, wordt het recht bedoeld in de leden 1 en 2 van het artikel 22 berekend naar rata van de geldigheidsduur van de vergunning; elk gedeelte van een maand wordt voor een volle maand gerekend. In dit geval, moet het vóór de aflevering van de vergunning worden betaald.

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt een vergunning waarvan de geldigheidsduur, alhoewel beperkt, twaalf maanden overtreft niet als tijdelijk beschouwd.

 

In dit geval worden de voorschriften van het artikel 23 toegepast.

 

Artikel 25

 

De buitendienststelling van een individueel station voor radioverbinding of van een station van een net voor radioverbinding wordt als effectief beschouwd op de datum waarop de ministeriële vergunning of de speciale vergunning die de werking van dit station dekt naar het Instituut wordt teruggezonden.

 

De terugzending moet onder een ter post aangetekende omslag geschieden; de stempel van De Post strekt tot bewijs in geval van betwisting betreffende de effectieve datum van buitendienststelling.

 

[Gewijzigd door art. 5 van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot aanpassing van de wetten van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en teledistributienetten en betreffende de handelpubliciteit op radio en televisie, en van de reglementering betreffende de radioberichtgeving aan de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (BS, 15 april 1994)]

 

Elk station waarvoor de hogerbedoelde vergunningstitel ten laatste op 31 december van een jaar niet werd teruggezonden, wordt verondersteld op 1 januari van het volgende jaar in dienst te zijn gehouden en wordt, overeenkomstig de voorschriften van het artikel 23, aan de totaliteit van de jaarlijkse rechten voor dit jaar onderworpen.

 

De terugzending van een vervallen vergunningstitel ontslaat de titularis geenszins van de verplichting, overeenkomstig de voorschriften van het artikel 29, 2e lid, bij het Instituut aangifte te doen van de bestemming die aan het buiten dienst gesteld toestel voor radioverbinding werd gegeven.

 

Reglementering van de handel in toestellen voor radioverbinding

 

Artikel 26

 

De constructeurs, invoerders, verkopers en verhuurders van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding kunnen op eenvoudige schriftelijke aanvraag, een algemene vergunning bekomen voor het houden van het geheel van de toestellen van die aard die zij met commerciële doeleinden in een zelfde werkhuis, depot, magazijn of andere plaats in stock hebben of ten toon stellen.

 

Deze algemene vergunning voor het houden dekt enkel de types van toestellen die door het Instituut werden goedgekeurd of vrijgesteld zijn van de goedkeuring bij toepassing van de voorschriften van het artikel 7, 2e lid van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving.

 

Zij geeft geen aanleiding tot de betaling van enig recht.

 

Artikel 27

 

De toestellen voor radioverbinding bedoeld in het artikel 26 mogen niet worden gebruikt tenzij om de werking ervan te tonen aan potentiële verkrijgers die in het bezit zijn van een vergunning voor beproeving en voorlopig houden van een uitrusting voor radioverbinding.

 

Deze vergunning voor beproeving en voorlopig houden wordt slechts afgegeven aan hen die doen blijken van de noodzaak om ze te verkrijgen.

 

Zij verleent aan de titularis het recht verscheidene goedgekeurde toestellen van verschillende merken en types te beproeven, alvorens zich zijn uitrusting voor radioverbinding aan te schaffen en dekt bovendien in afwachting van het bekomen van de aangevraagde ministeriële vergunning, het houden van het of de verworven toestel of toestellen.

 

Zij moet worden gerestitueerd zodra deze vergunning werd ontvangen.

 

Artikel 28

 

De vergunning voor beproeving en voorlopig houden bedoeld in het artikel 27 vermeldt haar geldigheidsduur. Deze kan door middel van een aanhangsel worden verlengd in de gevallen waarin die maatregel verantwoord is.

Gedurende de geldigheidsduur mag de titularis zend-, ontvang- of zend-ontvangtoestellen beproeven bij een onbeperkt aantal handelaars in radio-elektrisch materieel.

 

Deze formaliteiten beïnvloeden geenszins de voorwaarden tot aflevering van de vergunning om het toestel dat werd of de toestellen die werden verworven te doen werken.

 

Artikel 29

 

De constructeurs, invoerders, verkopers en verhuurders van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, zijn verplicht de aangifte van verkoop, verhuring, inleengeving of schenking voorgeschreven door het artikel 8, 2e lid van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving op te stellen op een formulier waarvan het model in bijlage 2 bij dit besluit voorkomt. Zij moeten deze aangifte maandelijks verrichten door middel van een samenvattende staat van de transacties die in de loop van dezelfde maand werden verricht. De aangifte wordt binnen de eerste tien dagen van de maand die volgt op die waarin die transacties werden verricht aan het Instituut overgemaakt.

 

De andere personen dan die bedoeld in het eerste lid, die toevallig een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding verkopen, verhuren, in leen geven of schenken, moeten hiervan aangifte doen bij het Instituut binnen de tien dagen die op de verrichting volgen, op voorwaarde dezelfde inlichtingen te verstrekken als die welke voorkomen op het formulier waarvan het model in bijlage 2 is opgenomen.

 

Alle aangiften van verkoop, verhuring, inleengeving en schenking moeten onder een ter post aangetekende omslag aan het Instituut worden geadresseerd.

 

De aangifteformulieren, evenals de speciale omslagen voor hun verzending onder portvrijdom, kunnen op eenvoudig verzoek bij het Instituut worden bekomen.

 

Artikel 30

 

Het in het artikel 9 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving voorgeschreven register, wordt op de volgende wijze gehouden:

       op de eerste bladzijde komt de volgende vermelding voor:

"Register bij toepassing van het artikel 9 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving gehouden door ...................

....................(naam, voornamen of firmanaam)......................straat, nr. ..............................., te.........................

Dit register bevat (in letters) .................... bladen genummerd van .......... tot .......... en gekorttekend door de ondergetekende."

Datum van de opening van het register en handtekening;

       al de bladen worden in ononderbroken volgorde genummerd;

       de bladzijden links worden voorbehouden aan de inschrijving van de inkomende en teuginkomende toestellen.

 

Worden er chronologisch aangegeven :

a)      van de opening van het register af, de merken en types van alle zend-, ontvang- en zend-ontvangtoestellen of stellen van samenstellende elementen van dergelijke toestellen die worden gehouden op de datum van het van kracht worden van dit besluit of van de opening van de handel;

b)      bij elke latere bevoorrading, de datum, de naam of de firmanaam en het adres van de leverancier evenals het merk en het type van al de toestellen of stellen van samenstellende elementen van toestellen van elke aard die in stock komen of de herkomst van die welke terug inkomen;

 

        de bladzijden rechts worden voorbehouden aan de uitgaande toestellen.

 

Worden er chronologisch aangegeven: de aard van de verrichte transactie, de datum, de naam of de firmanaam en het adres van de verkrijger, evenals het merk en het type van de toestellen of stellen van samenstellende elementen van toestellen die het voorwerp van de transactie uitmaken en, in een duidelijke speciale kolom, het nummer van de vergunning voor beproeving en voorlopig houden die door de verkrijger bij toepassing van de artikelen 27 en 28 wordt getoond en te zijnen voordele het in het artikel 8, 1e lid van de voornoemde wet voorgeschreven verkoopverbod opheft.

 

Dit register moet vergezeld zijn van een permanente inventaris voor elke type van toestel dat in magazijn wordt gehouden.

 

Wanneer een register vol is, moet het volgende register op dezelfde wijze worden gehouden, behalve wat de nummering van de bladen betreft, de bladen worden doorgenummerd.

 

De bewaartermijn van de registers wordt vastgesteld op drie jaar vanaf de laatste transactie die erin opgetekend is.

 

Controle en bescherming van de radioverbindingen

 

Artikel 31

 

Het Instituut is bevoegd toezicht uit te oefenen op de toepassing van de voorschriften van dit besluit en van de ministeriële besluiten getroffen ter uitvoering van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving. Zij verzekert inzonderheid de controle van de gemachtigde stations en netten voor radioverbinding en hun uitzendingen.

De titularis van een ministeriële vergunning moet aan de tot dit doel gecommissioneerde personeelsleden van het Instituut toegang verlenen tot zijn station of zijn stations en hun taak vergemakkelijken met alle te zijner beschikking zijnde middelen.

 

De constructeurs, invoerders, verkopers en verhuurders van toestellen voor radioverbinding bedoeld in de artikelen 26 en 29 hebben dezelfde verplichtingen wat betreft de toegang tot de toestellen die zij met commerciële doeleinden houden.

 

Zij moeten op eenvoudig verzoek van de hogerbedoelde personeelsleden, hun het register tonen dat bij toepassing van het artikel 30 wordt gehouden, alsook al de boekhoudkundige documenten die nuttig zijn voor het nazicht van de inschrijvingen die erin voorkomen.

 

Artikel 32

 

Klachten betreffende storingen van vergunde radioverbindingen en van de ontvangst van radio-omroepuitzendingen worden ingediend bij het Instituut. Deze onderzoekt de gegrondheid ervan, verricht opzoekingen bestemd om de verantwoordelijkheden vast te stellen en schrijft eventueel, de passende maatregelen voor om de storingen te verhelpen.

 

Wanneer deze storingen veroorzaakt worden door een elektrische, radio-elektrische of andere installatie of gedeelte van installatie, en de oorzaak ervan een conceptie- of constructiefout of een slecht onderhoud is, moet de verantwoordelijke gebruiker, op zijn kosten, de herstellingen of wijzigingen verrichten die nodig zijn om deze storingen op te heffen.

 

De voorschriften van dit artikel zijn maar van toepassing op de storingen vastgesteld in de radio-elektrische installaties aangelegd overeenkomstig de beste regels van de techniek, onder andere die welke zich juist opdringen om de bescherming tegen dergelijke storingen te waarborgen.

 

Zij doen in geen geval afbreuk aan de reglementaire voorschriften die werden uitgevaardigd bij toepassing van de directieven van de Europese Economische Gemeenschap en die het uniformeren beogen van de ontstoringsmethodes van sommige types van elektrische of radio-elektrische installaties of toestellen die dezelfde storingen kunnen veroorzaken.

 

Slotbepalingen

 

Artikel 33

 

De wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en dit besluit treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Evenwel wordt de toepassing van het artikel 12 van dit besluit voor de individuele stations van de 8e categorie verdaagd tot 1 januari 1984.)

 

[Gewijzigd door art. 1 van het Koninklijk besluit van 23 december 1982 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 31 december 1982)]

 

Artikel 34

 

Worden opgeheven:

a)      het koninklijk besluit van 27 juni 1930 tot toepassing van de wet van 14 mei 1930 over de radiotelegrafie, de radiotelefonie en andere radioverbindingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 februari 1974;

b)      het koninklijk besluit van 5 november 1932 betreffende de opheffing of vermindering van de door parasieten verwekte storingen in het radio-elektrisch verkeer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 juni 1977;

c)       het koninklijk besluit van 14 april 1958 tot oprichting van het Comité van advies inzake door parasieten verwekte storingen in het radio-elektrisch verkeer;

d)      het koninklijk besluit van 27 februari 1974 betreffende de radioberichtgeving, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 september 1974 en 5 oktober 1976.

 

Artikel 35

 

Onze Minister van Posterijen, Telegrafie en Telefonie is belast met de uitvoering van dit besluit.