Ministerieel Besluit van 19/10/1979, betreffende de private radioverbindingen.

 

Gecoördineerde tekst van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979  (niet-officiële versie)

 

19 OKTOBER 1979

 

Ministerieel besluit betreffende de private radioverbindingen

 

 

I. Goedkeuringsmodaliteiten

 

 van de toestellen voor radioverbindingen

 

Artikel 1

 

[Aldus gewijzigd door artikel 1 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)].

 

De bijlagen bij dit besluit bepalen de technische voorschriften waaraan de verschillende zendtoestellen, zend-ontvangtoestellen voor radioverbindingen moeten voldoen.

 

Waneer de zender en de ontvanger in een zend-ontvangtoestel los van elkaar kunnen worden beschouwd, wordt

alleen de zender goedgekeurd.

 

Wanneer een module ingebouwd wordt in een zendtoestel of in een zend-ontvangtoestel, dan wordt het geheel als zodanig goedgekeurd.

 

Wanneer de zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen in de bijlagen als toestellen met een beperkt bereik worden

omschreven, dan wordt de contrôle met het oog op de goedkeuring beperkt tot de gebruikte frequentieband en het vermogen.

 

Worden eveneens beschouwd als zijnde goedgekeurd door het Instituut en mogen dus ingevoerd, verkocht of

verhuurd worden in het Rijk zonder aan een goedkeuringsprocedure te zijn onderworpen:

           de OMNITRACS terminals van de landmobiele dienst per satelliet EUTELTRACS, goedgekeurd volgens de

procedures vastgelegd door de Europese Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten (EUTELSAT);

            de terminals van de landmobiele dienst per satelliet INMARSAT-C, goedgekeurd volgens de procedures

vastgelegd door de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten (INMARSAT).

 

[Ingevoegd door het enig artikel van het ministerieel besluit van 22 juni 1992 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 12 augustus 1992)]

 

De zend- en/of ontvangtoestellen voor radioverbinding die beantwoorden aan het toepasselijke gemeenschappelijk technisch voorschrift of de toepasselijke geharmoniseerde norm, worden geacht te zijn goedgekeurd als beantwoordend aan de voorschriften vastgesteld in dit besluit als ze goedgekeurd zijn overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuring van eindapparaten voor telecommunicatie.

 

[Gewijzigd door art. 16 van het Koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuring van

eindapparaten voor telecommunicatie (BS 8 april 1997)]

 

Artikel 1bis

 

[Aldus ingevoegd door artikel 2 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

De draadloze telefoons in de band 914-915 / 959-960 MHz worden niet meer goedgekeurd. Wat betreft de draadloze telefoons in de band 885-887 / 930-932 MHz, worden nog goedkeuringen verleend tot vijf jaar na de datum van het bekendmaken van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

 

Artikel 1ter

 

[Aldus ingevoegd door artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

§ 1.          Iedere natuurlijke of rechtspersoon gevestigd in één van de Lid-Staten van de Europese Unie of in één van de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekenaars van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een aanvraag om goedkeuring indienen.

 

§ 2.          De toestellen voor radioverbindingen moeten voldoen aan de volgende fundamentele voorschriften :

           de veiligheid van de gebruiker voor zover dit niet wordt geregeld door het koninklijk besluit van 23 maart 1977 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden;

           de veiligheid van het personeel van de exploitanten van de radiocommunicatie- en telecommunicatienetten voor zover dit niet wordt geregeld door het voornoemd koninklijk besluit van 23 maart 1977;

           de elektromagnetische compatibiliteitsvoorwaarden voor zover zij specifiek zijn voor het toestel voor

radioverbindingen;

           de bescherming van de radiocommunicatie- en telecommunicatienetten tegen alle schade;

           het doelmatig gebruik van het radiofrequentie-spectrum;

           de interactie van de toestellen voor radioverbindingen met de installaties van de radiocommunicatie- en

telecommunicatienetten ten behoeve van het tot stand brengen, het wijzigen, het aanrekenen, het in stand houden en het beëindigen van reële of virtuele verbindingen.

 

Artikel 2

 

De aanvragen om goedkeuring van voor de verkoop of de verhuring bestemde [zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen waarbij de zender en ontvanger onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn] voor radioverbinding

moeten vergezeld zijn van een gedetailleerd schema van het betrokken type van toestel en van een volledige

beschrijving van zijn technische karakteristieken.

 

 [Aldus gewijzigd door artikel 4, A), van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)].

 

De overeenstemming met de vereiste technische voorschriften wordt volgens deze documentatie geverifieerd, bij wege van proefnemingen in een meetcentrum uitgevoerd, op ten minste drie modellen van hetzelfde type.

 

Telkens een type van zendtoestel ter goedkeuring wordt voorgelegd, moet een forfaitaire som van 20 000 F [ ] aan het Instituut worden betaald.

 

 [Aldus gewijzigd door artikel 4, B), van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)].

 

[Deze som blijft door het Instituut verworven welke ook de uitslag weze] [Aldus vervangen door artikel 4, C), van

het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979

betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

Wanneer de kostprijs van de verrichte prestaties [ ] de voornoemde som merkbaar overschrijdt, worden de

aanvullende kosten aan de aanvrager gefactureerd.

 

 [Aldus gewijzigd door artikel 4, D), van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

Het Instituut mag weigeren de handelingen tot goedkeuring van een type van toestel aan te vatten, indien bij het

onderzoek van de geleverde technische documentatie blijkt dat het toestel niet aan de vereiste technische

voorschriften kan voldoen.

 

Zij mag daarentegen, zonder voorafgaande proefnemingen, keuren:

            [zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen waarbij de zender en ontvanger onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn] die in België reeds onder een andere merknaam werden goedgekeurd, op voorwaarde dat geen enkele wijziging werd aangebracht.

 

 [Aldus gewijzigd door artikel 4, E), van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

[2°           België aanvaardt, met het oog op de nationale goedkeuring van de toestellen voor radioverbindingen die legaal gefabriceerd zijn en/of in de handel gebracht zijn in een Lid-Staat van de EU of van toestellen voor radioverbindingen die legaal gefabriceerd zijn in een Lid-Staat van de Europese Vrijhandelsassociatie die de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte ondertekende, de conformiteitscertificaten en de résultaten van testen uitgevoerd in geaccrediteerde laboratoria erkend in dat land, gebaseerd op nationale specificaties van dat land, inzoverre die toestellen voor radioverbindingen op behoorlijke en voldoende wijze beantwoorden aan de fundamentele voorschriften zoals gedefinieerd in artikel 1ter.

 

Het Instituut oordeelt over de gelijkwaardigheid van de nationale specificaties gebruikt voor de goedkeuring van een toestel voor radioverbindingen in een ander land, met de Belgische nationale technische specificaties.  Indien de overeenkomst niet wordt vastgesteld, motiveert het Instituut zijn beslissing tot weigering van de goedkeuring.]

 

 [Aldus vervangen door artikel 4, F), van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging

van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

Artikel 3

 

[Aldus gewijzigd door artikel 5 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

§ 1.          De aanvraag tot typegoedkeuring wordt ingediend bij het Instituut door de fabrikant of zijn gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de toestellen.

 

§ 2.          Om als volledig te worden beschouwd, moet een aanvraagdossier inzonderheid volgende behoorlijk gedateerde en ondertekende inlichtingen en documentatie bevatten :

           de naam en het adres van de fabrikant, alsook de naam en het adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend;

           de juiste benaming en bestemming van het toestel voor radiocommunicatie;

           een algemene beschrijving van het type, die volstaat om het toestel te identificeren, met daarbij duidelijke foto's en de handleiding inbegrepen;

           de technische gegevens, het werkingsprincipe gestaafd met ontwerp en fabricagetekeningen, lijsten van

componenten, onderdelen en leidingen, met inbegrip, in voorkomend geval van de elektrische schema's en het plan van aansluiding op het radiocommunicatienet;

           de beschrijvingen en de toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van voormelde tekeningen en lijsten en van de werking van het apparaat;

           een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste technische specificaties en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de fundamentele voorschriften te voldoen;

           de resultaten van de verrichte onderzoeken;

           de testrapporten afgeleverd door geaccrediteerde laboratoria;

           het betalingsbewijs van de dossierskosten.

 

§ 3. Het Instituut kan alle bijkomende informatie vragen die nodig is voor het onderzoek met het oog op de

goedkeuring.

 

§ 4. De positieve of negatieve beslissing inzake de goedkeuring van het toestel wordt door het Instituut medegedeeld.

 

§ 5. Elk goedgekeurd type van toestel is geregistreerd en genummerd.

 

Deze registrering maakt de homologatieakte van de goedkeuring uit.

 

In geval van weigering van de goedkeuring wordt de aanvrager ingelicht over de vastgestelde gebreken.

 

Artikel 3bis

 

[Aldus ingevoegd door artikel 6 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

De fabrikant van toestellen met beperkt bereik verklaart en garandeert, behalve voor de gebruikte frequentieband en het vermogen, dat de betrokken producten voldoen aan de voorschriften van dit besluit die op die producten van toepassing zijn. Daartoe moet hij aan de volgende voorwaarden voldoen :

           hij stelt een technische documentatie op en houdt ze tenminste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product, ter beschikking van het Instituut.

Indien de fabrikant niet in België is gevestigd, of hij heeft er geen gemachtigde aangeduid, moet degene die het

product in België in de handel brengt, de technische documentatie ter beschikking van het Instituut houden.

Aan de hand van deze documentatie moet nagegaan kunnen worden of het product in overeenstemming is met de geldende voorschriften. Daartoe moet de documentatie omvatten :

a)        de algemene omschrijving van het product;

b)       ontwerp- en fabricagetekeningen alsook lijsten van onderdelen, deelsystemen, circuits, enz.;

c)        de beschrijvingen en de toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en lijsten en van de werking van het toestel;

d)       een lijst van de relevante technische normen of, bij ontstentenis van deze normen, het technisch

constructiedossier en een beschrijving van de oplossingen die gekozen zijn om te voldoen aan de op het product

van toepassing zijnde voorschriften;

e)        de testrapporten;

 

2° de fabrikant, zijn gemachtigde of degene die het product in België in de handel brengt bewaart een afschrift van de verklaring van overeenstemming met de technische documentatie;

 

3° de fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de

vervaardigde producten in overeenstemming zijn met de technische documentatie en met de voorschriften die op de producten van toepassing zijn.

 

Artikel 4

 

Aan de constructeur of invoerder van elk type van toestel voor radioverbinding dat met het oog op de verkoop of

de verhuring in het Rijk wordt goedgekeurd, wordt een homologatiecertificaat afgeleverd dat vermeldt:

           het merk, het type en de bijzonderste technische karakteristieken;

           het gebruik waarvoor een dergelijk toestel is bestemd;

            het homologatienummer van de goedkeuring.

Dit certificaat verbindt het Instituut enkel wat betreft de modellen die ter goedkeuring werden voorgelegd. Het kan worden ingetrokken indien later wordt vastgesteld dat op de markt gebrachte toestellen voor radioverbinding van hetzelfde type, niet aan de vereiste technische voorschriften beantwoorden of niet conform zijn met de goedgekeurde modellen.

 

Artikel 5

 

De constructeurs en invoerders van toestellen voor radioverbinding zijn verplicht op alle zend- en ontvangtoestellen die in het Rijk te koop of ter verhuring worden aangeboden, het homologatienummer van de goedkeuring van deze toestellen in onuitwisbare merktekens aan te brengen

 

Dit nummer is vermeld op het homologatiecertificaat dat hun bij toepassing van het artikel 4 wordt afgeleverd.

Het moet onder de volgende vorm voorkomen:

R.T.T./nummer

 

Artikel 6

 

[Aldus vervangen door artikel 7 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

De goedkeuring op basis van de oude bijlagen wordt niet meer gegeven na 1 december 1999.

Het in de handel brengen van toestellen voor radioverbindingen; goedgekeurd op basis van de oude bijlagen, is

toegelaten tot 7 april 2001.

 

Indien het gaat om eindapparatuur voor telecommunicatie, goedgekeurd op basis van de oude bijlagen, dan is het in de handel brengen toegelaten tot 7 april 2001.

 

 

II. Voorwaarden tot het bekomen van een ministeriële vergunning

 

Artikel 7

 

Het Instituut is belast met het onderzoek van de aanvragen om vergunning om een individueel station voor

radioverbinding te houden en te gebruiken of om een net voor radioverbinding aan te leggen en te doen werken.

Deze aanvragen moeten, naargelang het geval, het doel of de noodzakelijkheid van de radioverbindingen en eventueel de rechtvaardiging ervan aanduiden.

 

Elke aanvraag die door een fysieke persoon wordt ingediend moet zijn naam, voornaam, woonplaats en geboortedatum nauwkeurig vermelden.

 

Elke aanvraag die door een rechtspersoon wordt ingediend moet vergezeld zijn van zijn statuten.

 

Het Instituut mag alle andere inlichtingen vorderen die nodig zijn voor het onderzoek van de gegrondheid van de

redenen die voor het bekomen van de vergunning worden ingeroepen of voor de bepaling van de voorwaarden

waaraan deze vergunning moet worden onderworpen.

 

Indien de aanvraag om vergunning ontvankelijk is, wordt de verzoeker uitgenodigd het recht te kwijten dat bij het artikel 21 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen is vastgesteld.

 

Artikel 8

 

Na het vervullen van de in artikel 7 bedoelde formaliteiten, ontvangt de aanvrager de vergunning voor beproeving en voorlopig houden van een uitrusting voor radioverbinding waarin de artikelen 27 en 28 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen voorzien.

 

Deze vergunning laat hem toe een voor zijn behoeften aangepaste uitrusting voor radioverbinding te verwerven.

 

Indien deze uitrusting bestemd is om een net voor radioverbinding aan te leggen, mag het verwerven ervan evenwel nooit geschieden alvorens het Instituut de werkingsvoorwaarden van dit net heeft bepaald, in het bijzonder wat betreft de grenzen van vermogen van de basis- en mobiele stations en de hoogte van de antennes. In deze omstandigheiden kan de aflevering van de vergunning voor beproeving en voorlopig houden worden uitgesteld tot deze voorwaarden zijn vastgesteld.

 

De ministeriële vergunning wordt slechts verleend indien het Instituut uit de ter zake bekomen inlichtingen kan

afleiden, dat de technische karakteristieken van de verworven uitrusting voor radioverbinding niet strijdig zijn met

de werkingsvoorwaarden die zij bij toepassing van dit besluit heeft vastgesteld.

 

Artikel 9

 

De vergunning tot aanleg van een net voor radioverbinding bedoeld in punt b) van de 2e categorie bepaald in het

artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, wordt slechts

verleend aan openbare instellingen voor sociale bijstand of aan organismen waarvan het statuut een dergelijke

roeping bevestigt.

 

De hiernavermelde voorwaarden worden vereist:

           de gebruikers van de zendstations voor hulpoproepen zijn uitsluitend fysisch of geestelijk zwaar gehandicapte personen of ouderlingen van ten minste 70 jaar, die alleen wonen;

           de hulpoproepen worden verricht door het uitzenden van een gecodeerd sein, van zeer beperkte duur, met uitsluiting van elk gesproken bericht;

           er mag door de titularis van de ministeriële vergunning naar geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks geldelijk voordeel worden gestreefd.

 

Artikel 10

 

De aanvrager van een vergunning om een individueel station voor radioverbinding te doen werken, die de

voorwaarden vervult om een zelfgebouwd zendtoestel te gebruiken, is krachtens artikel 1, 2e alinea, 2E, verplicht dit toestel ter goedkeuring aan het Instituut voor te leggen.

 

De overeenstemming met de vereiste technische voorschriften wordt geverifieerd volgens het constructieschema en, indien nodig, bij wege van een proefneming in een meetcentrum uitgevoerd.

 

De ministeriële vergunning wordt slechts verleend na de goedkeuring van de constructie.

 

Zij kan worden ingetrokken indien later wordt vastgesteld dat, niettegenstaande deze goedkeuring, het toestel

storingen veroorzaakt in andere radioverbindingen.

 

 

III. Voorwaarden tot het aanleggen van de mobiele netten

 

Artikel 11

 

Het aantal basisstations dat voor een mobiel net nodig is wordt door het Instituut bepaald rekening houdend met de te bestrijken dienstzone.

 

Behoudens speciale toelating, in de ministeriële vergunning uitdrukkelijk gestipuleerd, zijn radioverbindingen tussen basisstations verboden.

 

Artikel 12

 

Het maximale vermogen van het basisstation van een mobiel net wordt door het Instituut derwijze vastgesteld dat zijn actiestraal de grenzen van de te bestrijken dienstzone niet overschrijdt. De hoogte van de ermede verbonden antenne wordt tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.

 

Tenzij het Instituut, in omstandigheden en om redenen waarover zij oordeelt, er anders over beslist, is het gebruik van gerichte of winstantennes verboden.

 

Het maximale vermogen van de mobiele stations wordt eveneens door het Instituut vastgesteld in functie van de

behoeften en rekening houdend met de storingen die zij in andere radioverbindingen zouden kunnen veroorzaken.

 

Artikel 13

 

De volgende soorten van mobiele stations kunnen van een mobiel net deel uitmaken, onder dekking van een speciale vergunning afgeleverd bij toepassing van het artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen:

           de stations opgesteld aan boord van een voertuig of industrieel werktuig dat aan de immatriculatie bij de Dienst voor het Wegvervoer onderworpen is.

Voor deze stations wordt de identificatie van de drager in de speciale vergunning opgegeven door het

immatriculatienummer van het voertuig of van het industrieel werktuig;

           de stations opgesteld aan boord van een voertuig of industrieel werktuig dat niet aan de immatriculatie bij de Dienst voor het wegvervoer onderworpen is.

Voor deze stations wordt de identificatie van de drager in de speciale vergunning opgegeven door de functionele

bestemming van het voertuig of van het industrieel werktuig;

           de stations met ingebouwde autonome voeding, zonder drager bruikbaar.

Deze stations worden "draagbare stations" geheten, zelfs wanneer zij bij gelegenheid, in of op om het even welk

voertuig of industrieel werktuig worden gebruikt.

 

Onderminderd de bepalingen van het artikel 14, moeten de voertuigen en industriële werktuigen die met mobiele

stations uitgerust zijn, toebehoren aan de titularis van de ministeriële vergunning die de werking dekt van het mobiel net waarvan deze stations deel uitmaken.

 

Artikel 14

 

De mobiele stations bedoeld in punt 1° van het artikel 13 worden in geen enkel geval gemachtigd in een net van de 6e categorie te werken.

 

Om in een net van de 1e of 4e categorie te mogen werken, moeten zij opgesteld zijn aan boord van een bedrijfsvoertuig of industrieel werktuig dat toebehoort aan de titularis van de vergunning om dit net te doen werken of aan boord van een bedrijfsvoertuig of industrieel werktuig dat aan een derde toebehoort maar dat deze titularis effectief ten laste neemt, ofwel door een huurovereenkomst, ofwel onder de voorwaarden bepaald in het artikel 9, 2e lid van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.

Worden luidens dit artikel als bedrijfsvoertuigen beschouwd, de taxis, ambulances, vrachtwagens, bestelwagens,

tractoren en andere voertuigen voor gelijkaardig gebruik.

De andere personenwagens dan de taxis, worden niet als bedrijfsvoertuigen beschouwd, tenzij de integratie ervan in het net voor radioverbinding, onmisbaar zou zijn voor de uitvoering of de coördinatie van de specifieke activiteit voor de uitoefening waarvan de ministeriële vergunning werd verleend.

 

In dit geval wordt het aantal ervan tot de strikte behoeften beperkt, rekening houdend met de belangrijkheid van het net, inzonderheid met het aantal stations die aan boord van industriële werktuigen of eigenlijke bedrijfsvoertuigen opgesteld zijn.

 

Artikel 15

 

De netten voor radioverbinding die op een gemeenschappelijke frequentie werken genieten van geen enkele

bescherming tegen de storingen die eventueel veroorzaakt worden door de andere netten die gemachtigd zijn dezelfdefrequentie te gebruiken.

 

De stations en netten voor radioverbinding die op de collectieve frequenties werken genieten van geen enkele

bescherming tegen om het even welke storingen.

 

Om de wederzijdse storingen te voorkomen zijn de gebruikers van een gemeenschappelijke of collectieve frequentie verplicht:

a)        de duur van hun uitzendingen tot de strikte behoeften te beperken;

b)       de commentaren die voor het begrijpen van de uitgezonden boodschappen nutteloos zijn te vermijden.

c)        Elke poging om een gemeenschappelijke of collectieve frequentie in te palmen ten nadele van de andere gebruikers,ofwel door het uitzenden van geluiden, ofwel door elke andere vorm van blokkeren brengt de onmiddellijke intrekking mede van de vergunning om het betrokken station of net te doen werken.

 

 

IV. Verplichtingen van de houders van een ministeriële vergunning –Verbodsbepalingen

 

Artikel 16.

 

Het Instituut kent een roepnaam toe aan de individuele stations voor radioverbinding en aan de stations van de netten voor radioverbinding die gemachtigd zijn in radiotelefonie uit te zenden.

 

De gebruiker van het station moet die roepnaam bij het begin en het einde van elke uitzending noemen.

De roepnaam van het corresponderend station moet voor de oproep van dit station eveneens worden gebruikt, met uitsluiting van elke andere benaming.

 

Het Instituut mag, op aanvraag van de titularis van de ministeriële vergunning, afwijkingen van deze regel toestaan.  Zij bepaalt, volgens het geval, de voorwaarden van de afwijking.

 

De roepnaam van een station voor radioverbinding mag te allen tijde worden gewijzigd zonder dat het Instituut

verplicht is de reden van deze wijziging te laten kennen.

 

Artikel 17

 

Behalve schriftelijke en voorwaardelijke toestemming van het Instituut, is het aan de titularis van een ministeriële

vergunning verboden :

           zijn individueel station of de stations van zijn net voor radioverbinding met het openbaar telefoonnet te verbinden;

           gebruik te maken van een uitrusting tot geheimhouding van de uitgezonden radioberichten.

 

Artikel 18

 

Het is aan de gebruiker van een zendstation voor radioverbinding verboden:

            radioberichten uit te zenden die geen betrekking hebben op de specifieke activiteiten voor de uitoefening waarvan de vergunning om dit station te gebruiken werd toegestaan;

                uitzendingen te verrichten die een publicitair karakter hebben;

           een hoger dan het toegelaten vermogen aan te wenden.

 

Het gebruik van een uitrusting voor versterking die het mogelijk maakt met een hoger dan het toegelaten vermogen uit te zenden, brengt de onmiddellijke intrekking mede van de ministeriële vergunning.

 

Artikel 19

 

Indien de uitzendingen van een slecht geregeld station voor radioverbinding storingen veroorzaken in de ontvangst van andere radioverbindingen of in de werking van om het even welke elektrische inrichtingen, is de titularis van de ministeriële vergunning verplicht, op eenvoudige verwittiging van de controlediensten van het Instituut, de storende uitzendingen te schorsen.

 

De schorsing wordt maar opgeheven na de doelmatige regeling van het zendtoestel en de vaststelling door het

Instituut dat de storing verdwenen is.

 

Het Instituut gebruikt voor het nazicht van de regeling van de stations voor radioverbinding, de meetuitrustingen die zij passend acht en alle voor dergelijke metingen algemeen aanvaarde methodes.

 

Zij mag eventueel de resultaten aannemen van metingen die werden verricht door andere al dan niet onder haar

toezicht opererende organismen.

 

Artikel 20

 

Er mag geen enkele wijziging in de structuur van een net voor radioverbinding worden aangebracht zonder

voorafgaand akkoord van het Instituut.

 

Worden als wijzigingen van de structuur van een net voor radioverbinding beschouwd :

           de vervanging of de wijziging van een vast- of basisstation of van zijn antenne, hun overplaatsing naar een andere dan de in de ministeriële vergunning vermelde plaats of de opstelling van een supplementair vast- of basisstation;

           de vervanging of de wijziging van een mobiel station, zijn overplaatsing van een drager naar een andere of de indienststelling van supplementaire mobiele stations.

Volgens het geval worden aan de titularis van de ministeriële vergunning, ofwel een aanhangsel bij deze vergunning, ofwel passende speciale vergunningen afgeleverd.

 

Indien de structuur van het net grondig gewijzigd is, wordt in vervanging van de oorspronkelijke vergunning, een

nieuwe ministeriële vergunning verleend.

 

 

V. Gebruiksvoorwaarden van de stations voor radioverbindingvan de 7e categorie

 

Artikel 21

 

De stations voor afstandsbediening van kleine modellen mogen slechts werken op de door het Instituut aangeduide collectieve frequenties.

 

 [Aldus opgeheven door artikel 8 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het.

ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)].

 

Artikel 22

 

De aanvrager van een vergunning om een zelfgebouwd station voor afstandsbediening van kleine modellen te doen werken moet aan een door het Instituut afgenomen examen voldoen.

 

Het programma van dit examen kan op eenvoudig verzoek worden bekomen.

 

De examenzittingen hebben in maart en september van elk jaar plaats.

 

Het inschrijvingsrecht is vastgesteld op 120 F. Het wordt in geen enkel geval terugbetaald.

 

Het slagen voor dit examen ontslaat de aanvrager van de ministeriële vergunning geenszins van de verplichting zijn toestel, overeenkomstig de bepalingen van het artikel 10, ter goedkeuring aan het Instituut voor te leggen.

 

In geval van approbatie van de constructie, wordt hem, benevens de aangevraagde vergunning een certificaat van technicus van stations voor afstandsbediening afgeleverd.

 

Artikel 23

 

Het in artikel 22, zesde alinea, bedoelde certificaat van technicus van stations voor afstandsbediening laat de houder toe de regeling en het onderhoud van alle gemachtigde stations voor afstandsbediening van kleine modellen te verzekeren, zelfs van die welke uit de handel afkomstig zijn.

 

Een dergelijk certificaat kan worden afgeleverd aan een technicus gespecialiseerd in de constructie, de regeling en het onderhoud van toestellen voor afstandsbediening van kleine modellen, aangeduid door iedere constructeur of invoerder van toestellen voor radioverbinding die, onder de voorwaarden vastgesteld in het hoofdstuk I van dit

besluit, een homologatiecertificaat heeft bekomen voor de verkoop en de verhuring van door het Instituut

goedgekeurde toestellen voor afstandsbediening van kleine modellen.

 

De aanduiding van deze technicus geschiedt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken constructeur of

invoerder.

 

Artikel 24

 

De aanvrager van een vergunning om een station voor afstandsbediening van kleine modellen te doen werken die

zich een toestel in de handel wenst aan te schaffen moet, bij zijn aanvraag om vergunning, een schriftelijke verklaring voegen van een houder van het certificaat van technicus van stations voor afstandsbediening, waarbij deze aanvaardt de regeling en het onderhoud van dit toestel te verzekeren.

 

De technicus van stations voor afstandsbediening die deze last op zich neemt verbindt zich slechts inzake de

hogerbedoelde operaties van regeling en onderhoud. Hij is niet verantwoordelijk voor de inbreuken op dit besluit of voor de andere onregelmatigheden die eventueel door de gebruiker van het station voor afstandsbediening van kleine modellen zouden worden bedreven, noch voor de wijzigingen aan de afregeling die dit station buiten zijn weten zou ondergaan.

 

Artikel 25

 

De regeling en het onderhoud van een station voor afstandsbediening van kleine modellen mogen slechts door een houder van het certificaat van technicus van stations voor afstandsbediening worden verzekerd.

 

De titularis van een vergunning om een dergelijk station te gebruiken die, niet in het bezit zijnde van dit certificaat, persoonlijk wijzigingen in de afregeling van zijn station zou aanbrengen, stelt zich bloot aan een schorsing van zijn vergunning voor een duur van een jaar of aan de intrekking van deze vergunning in geval van herhaling

 

 

VI. Gebruiksvoorwaarden van de stations voor radioverbindingvan de 8e categorie

 

Artikel 26

 

[Aldus vervangen door artikel 9 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1999 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (B.S. 25.12.1999)]

 

Het gebruik van de stations voor radioverbindingen van de 8e categorie wordt enkel toegelaten indien zij voldoen aan de voorschriften vastgesteld in § 1 en § 3.

 

Het volstaat eveneens dat dergelijke stations voldoen aan de voorschriften vastgesteld in § 2 en § 3.

§ 1.                 Radiotelefonen B27 zijn conform een type dat door het Instituut werd goedgekeurd als beantwoordend aan de technische specificaties van de bijlage D1 of D2 bij dit besluit.

§ 2.          Een « SRBR-toestel » is conform een type dat door het Instituut werd goedgekeurd als beantwoordend aan de technische specificaties van bijlage D3 bij dit besluit.

§ 3.          Het is verboden een zelfgebouwd toestel of een samengesteld door middel van een bouwdoos te gebruiken.

 

Artikel 27

 

De radiotelefonen B27 mogen als vaste of als mobiele stations worden gebruikt.

 

Evenwel is het gebruik ervan aan boord van een luchtvaartuig verboden.

 

Zij mogen in geen geval met het openbaar telefoonnet worden verbonden.

 

[Gewijzigd door art. 1 van het ministerieel besluit van 24 december 1982 tot wijziging van het ministerieel besluit

van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 31 december 1982)]

 

Artikel 28

 

Onverminderd de bepalingen van het artikel 29, kan een fysieke persoon ten hoogste twee ministeriële vergunningen bekomen, te weten :

           een vergunning om één of meer vaste radiotelefonen B27 in zijn woning te houden en te doen werken;

           een vergunning om één mobiele radiotelefoon B27 te houden en doen werken.

 

Wanneer beide vergunningen worden toegestaan is de roepnaam van de mobiele radiotelefoon dezelfde als die welke voor de vaste radiotelefoon of radiotelefonen werd toegewezen, doch wordt hij gevolgd door de letter M.

Ingeval één en dezelfde radiotelefoon B27 onverschillig als vast of als mobiel station wordt gebruikt, volstaat de onder 2° bedoelde vergunning. Zijn roepnaam wordt altijd door de letter M gevolgd.

 

Een vereniging zonder winstoogmerken kan slechts één vergunning bekomen om één of meer vaste radiotelefonen B27 op het adres van haar maatschappelijke zetel te houden en te doen werken.

 

[Gewijzigd door art. 1 van het ministerieel besluit van 24 december 1982 tot wijziging van het ministerieel besluit

van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 31 december 1982)].

 

Artikel 29

 

De titularissen van een ten laatste op 31 december 1982 verleende ministeriële vergunning kunnen op schriftelijke aanvraag, ingediend ten laatste op 31 maart 1983, een vergunning bekomen voor het eenvoudig houden, in hun woning, van één of meer door het Instituut niet goedgekeurde zend- en ontvangtoestellen voor radioverbinding in de 27 MHz-band.

 

Deze vergunning wordt enkel toegestaan indien de verzoeker zich schriftelijk verbindt de betrokken toestellen niet meer te doen werken na 31 december 1983.

 

Het niet eerbiedigen van deze verbintenis brengt de onmiddellijke intrekking mede van de hierboven bedoelde

vergunning voor het houden, onderminderd de sancties waarin het artikel 12, 2e lid, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen enerzijds en het artikel 15 van de wet van 30 juli 1979

betreffende de radioberichtgeving anderzijds voorzien, met betrekking tot de aanvankelijke ministeriële vergunning.

 

[Gewijzigd door art. 1 van het ministerieel besluit van 24 december 1982 tot wijziging van het ministerieel besluit

van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 31 december 1982)]

 

Artikel 30

 

[Afgeschaft door artikel 2 van het ministerieel besluit van 24 december 1982 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen)]

 

 

VII. Slotbepalingen.

 

Artikel 31

 

Ons besluit van 22 juli 1947 over de private radio-elektrische zend- en zend-ontvangposten is opgeheven.

 

[Gewijzigd door artikel 35 van het ministerieel besluit van 19 december 1986 tot wijziging van het ministerieel

besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (BS, 24 december 1986)]

 

Artikel 32

 

De vergunningen afgeleverd bij toepassing van de wet van 14 mei 1930 over de radiotelegrafie, de radiotelefonie en andere radioverbindingen, van het koninklijk besluit van 27 juni 1930 tot toepassing van deze wet, van het koninklijk besluit van 27 februari 1974, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 september 1974 en 5 oktober 1976, betreffende de radioberichtgeving en van het ministerieel besluit van 22 juli 1947 over de private radio-elektrische zend- en zend-ontvangposten, worden gevalideerd bij toepassing van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, onder voorbehoud dat zij aan de bepalingen van de ter uitvoering van deze wet getroffen besluiten voldoen.

 

De onder dekking van deze vergunningen gebruikte toestellen voor radioverbinding worden evenwel beschouwd als door het Instituut zijnde goedgekeurd gedurende een periode van vijf jaar, vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt.

 

Artikel 33

 

Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

 

 

( bijlagen )