Wet van 30/07/1979, betreffende de radioberichtgeving

De artikels van deze wettekst die gekend moeten zijn voor het examen zijn omkaderd: 3, 4, 7, 8 en 9bis

 

 

30 JULI 1979

 

Wet betreffende de radioberichtgeving.

 

Artikel 1

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

 

    Minister: de Minister of de Staatssecretaris die bevoegd is voor de aangelegenheden die de telecommunicatie betreffen;

 

[Gewijzigd door art. 1, eerste lid, 1° van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot aanpassing van de wetten van30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en

teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie, en van de reglementering betreffende de radioberichtgeving aan de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (BS, 15 april 1994)]

 

    Instituut: het Belgisch instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort "B.I.P.T.";

 

[Gewijzigd door art. 1, eerste lid, 2° van het Koninklijk besluit van 15 maart 1994 tot aanpassing van de wetten van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en

teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie, en van de reglementering betreffende de radioberichtgeving aan de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (BS, 15 april 1994)]

 

    Radioverbinding: elke overbrenging, door middel van radio-elektrische golven, van inlichtingen van alle aard,

inzonderheid van klanken, teksten, beelden, overeengekomen tekens, numerieke of analoge uitdrukkingen, seinen voor afstandsbediening, seinen bestemd voor de opsporing of voor de bepaling van de plaats of de beweging van voorwerpen.

 

Worden als radio-elektrische golven beschouwd de hierna vermelde verschijnselen voor zover de frequentie van de geseinde elektromagnetische trillingen begrepen is tussen 10 kilohertz en 3000 gigahertz:

c)         de voortplanting van de elektromagnetische energie door in de ruimte en langs het aardoppervlak uitgestraalde hertzgolven;

b)        de voortplanting van de elektromagnetische energie door het sturen langs leidraden, met uitsluiting van die welke speciaal opgevat zijn om een dergelijke seining te realiseren zonder straling in de ruimte buiten die leidraden te veroorzaken;

c)         de voortplanting van de elektromagnetische energie door het sturen langs diëlektrische leidraden;

d)    de overbrenging van de elektromagnetische energie door inductie in de ruimte;

 

4° a) zendtoestel voor radioverbinding: iedere generator van elektromagnetische trillingen gebouwd om

radioberichten uit te zenden met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van de klank- en

televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;

    b)     zend-ontvangtoestel voor radioverbinding : iedere generator en ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om radioberichten uit te zenden en te ontvangen met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van de klank- en televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;

    c) ontvangtoestel voor radioverbinding : iedere ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om

radioberichten te ontvangen met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van klank- en

televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;

 

[Gewijzigd door art. 2 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)].5° station voor radioverbinding : het geheel samengesteld uit een zendtoestel, een zend-ontvangtoestel of een ontvangtoestel, de ermee verbonden antennes alsook alle toestellen die nodig zijn om het geheel behoorlijk te laten functioneren;

 

[Gewijzigd door art. 2 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)].

 

   Net voor radioverbinding: het geheel samengesteld uit verscheidene stations voor radioverbinding die met elkaar in verbinding mogen treden binnen de grenzen van een vergunning die aan een enkele fysische of morele persoon werd afgeleverd;

 

   Radio-omroepdienst: dienst voor radioverbinding die uitzendingen doet welke bestemd zijn om rechtstreeks door het publiek in het algemeen te worden ontvangen. Die dienst kan bestaan uit klank- televisie- of andere soorten van uitzendingen;

 

   Radio-omroepstation: station van een radio-omroepdienst.

 

Artikel 2

 

[Opgeheven door art. 104 van de wet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (BS, 23 december 1995)]

 

 

Artikel 3

 

§ 1. Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding houden, of een station of een net voor radioverbinding aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van de Minister. Deze vergunning is persoonlijk en kan worden ingetrokken.

 

§ 2. De Koning bepaalt de algemene regels inzake toekenning en intrekking van de in § 1 bedoelde vergunningen.  Hij kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn.

 

§ 3. De Minister bepaalt de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de

toegelaten stations en netten voor radioverbinding moeten voldoen. Hij kan zijn bevoegdheid tot het verlenen en

intrekken van vergunningen overdragen aan een ambtenaar van het Instituut, hierna te noemen zijn  gemachtigde.

 

§ 4. De in § 1 bedoelde vergunningen zijn niet vereist voor de openbare radio-omroepdiensten, noch voor de stations voor radioverbinding die voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid aangelegd en gebruikt worden door de diensten die onder de Minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten.

 

§ 5. Voor de private radio-omroepdiensten worden de in § 1 bedoelde vergunningen slechts afgeleverd na

eensluidend advies van de Ministers tot wiens bevoegdheid de radio-omroep behoort, ieder voor wat hem betreft.

 

Artikel 4

 

Niemand mag in het Rijk, noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere

drager onderworpen aan het Belgisch recht:

a)        radioverbindingen uitzenden of trachten uit te zenden die de eerbied voor de wetten, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden aantasten of een belediging uitmaken jegens een vreemde Staat;

b)    valse of bedrieglijke alarm-, spoed- of noodseinen of noodoproepen uitzenden of trachten uit te zenden;

c)         andere radioverbindingen dan die bedoeld in artikel 314bis van het Strafwetboek en die niet voor hem bestemd zijn, opvangen of trachten op te vangen. Indien zulke verbindingen onopzettelijk worden ontvangen, mogen zij noch weergegeven, noch aan derden medegedeeld, noch voor enig doeleinde worden gebruikt en zelfs aan hun bestaan mag geen bekendheid worden gegeven, behalve in de gevallen door de wet opgelegd of toegestaan.

 

[Gewijzigd door art. 11 van de wet van 30 juni.1994 ter bescherming van de persoonlijke levensfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie (BS, 24 januari 1995)].

 

[Gewijzigd door art. 3 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)].

 

Artikel 5

 

Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere

drager onderworpen aan het Belgisch recht en niemand mag buiten het Rijk, overgaan tot, noch rechtstreeks of

onrechtstreeks meewerken aan de opstelling of de exploitatie van een radio-omroepstation opgesteld aan boord van een zeeschip, luchtvaartuig of elk ander drijvend of door de lucht gedragen voorwerp, ongeacht de nationaliteit ervan, waarvan de uitzendingen, geheel of gedeeltelijk bedoeld zijn om te worden ontvangen of de mogelijkheid bieden om ontvangen te worden op het grondgebied van een der overeenkomstsluitende landen van de Europese Overeenkomst voor de beteugeling van radio-omroepuitzendingen buiten nationaal grondgebied, opgemaakt te Straatsburg op 22 januari 1965 en goedgekeurd bij wet van 18 juli 1967.

Worden beschouwd als daden van exploitatie: het realiseren, bekostigen en uitzenden van de programma's van deze stations.

 

Worden beschouwd als daden van medewerking:

a)    het leveren, onderhouden en herstellen van materiaal;

b)    het bevoorraden;

c)         het ter beschikking stellen van vervoermiddelen voor of het vervoeren van personen, materiaal of voorraden;

d)        het bestellen of het vervaardigen van produkties van welke aard ook, daaronder begrepen publiciteit, bestemd om te worden omgeroepen;

e)        het verlenen van diensten op het gebied van publiciteit ten behoeve van de betrokken stations.

 

De bepalingen van dit artikel gelden niet voor handelingen verricht met het oog op hulpverlening aan of redding van een zeeschip, een luchtvaartuig, een drijvend of door de lucht gedragen voorwerp of een ruimteschip in nood of met het oog op de bescherming van mensenlevens.

 

Artikel 6

 

Onverminderd de bepalingen van de internationale akkoorden die België heeft ondertekend of van de ter uitvoering van die akkoorden vastgestelde reglementen, mag een station voor radioverbinding dat aangelegd is aan boord van een zich in het Rijk bevindend zeeschip of luchtvaartuig, ongeacht de nationaliteit van dit zeeschip of luchtvaartuig, niet met andere stations voor radioverbinding in verbinding treden dan door tussenkomst van de Belgische landstations van de mobiele zee- of luchtvaartdienst, al naar het geval.

 

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op:

a)      de radioverbindingen tot stand gebracht voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid door de diensten die onder de Minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten;

b)      de nood-, alarm-, spoed- en veiligheidsseinen evenals op de noodoproepen en -berichten en de beantwoording ervan.

 

De Minister kan, in speciale omstandigheden, toelaten dat sommige radioverbindingen worden gerealiseerd in

afwijking van de bepalingen van het eerste lid.

 

Artikel 7

 

[Opgeheven door artikel 2 van de wet van 3 juli 2000 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische

overheidsbedrijven (B.S. 13 juli 2000)]

 

Artikel 8

 

Het is verboden een zendtoestel of zend-ontvangtoestel voor radioverbinding te verkopen, te verhuren, in leen te

geven of te schenken aan iemand die de in artikel 3, § 1 voorgeschreven vergunning voor het houden van een

dergelijk toestel niet heeft verkregen. De Minister of zijn gemachtigde kan dit verbod opheffen voor toestellen die

uitsluitend voor de uitvoer bestemd zijn.

 

Iedere constructeur, verkoper of verhuurder van zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen voor radioverbinding en eenieder die, zelfs toevallig, een toestel of een stel van losse stukken waarmee een zodanig toestel gebouwd kan worden, verkoopt, verhuurt, in leen geeft of schenkt, moet daarvan aangifte doen bij de Minister of bij zijn

gemachtigde.

 

De aangifte moet vermelden:

 

1° de aard en de datum van de verrichting;

2° de naam en voornamen of de firma en het adres van de verkrijger;

3° het nummer van de in artikel 3, § 1 bedoelde vergunning.

 

De aangever moet zich van de juistheid van die inlichtingen vergewissen. Hij mag daartoe eisen dat de

identiteitskaart van de verkrijger of enig ander bewijsstuk wordt overgelegd.

 

De Koning bepaalt de nadere regelen voor de toepassing van dit artikel en stelt de passende controlemaatregelen

vast.

 

Dit artikel is niet van toepassing op het radio-elektrisch materiaal dat voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid werd besteld door de diensten die onder de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken of van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde

Strijdkrachten.

 

[Gewijzigd door art. 5 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)]

 

Artikel 9

 

[Opgeheven door artikel 3 van de wet van 3 juli 2000 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische

overheidsbedrijven (B.S. 13 juli 2000)]

 

Artikel 9bis

 

[Opgeheven door artikel 3 van de wet van 3 juli 2000 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische

overheidsbedrijven (B.S. 13 juli 2000)]

 

Artikel 10

 

De Koning stelt de verordeningen van algemeen bestuur en de politieverordeningen betreffende de

radioverbindingen alsook de verordeningen betreffende de bescherming ervan vast, inzonderheid de maatregelen die getroffen kunnen worden om radio-elektrische storingen te doen ophouden.

 

[Aldus vervangen door artikel 4 van de wet van 3 juli 2000 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (B.S. 13 juli 2000)]

 

De verordeningen van algemeen bestuur die de radio-omroep aanbelangen, worden getroffen op de voordracht van de Ministers tot wier bevoegdheid de radioverbindingen enerzijds en de radio-omroepdiensten van de betrokken gemeenschap anderzijds behoren.

 

Artikel 11

 

Het Instituut is bevoegd toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze wet en van de ter uitvoering ervan

getroffen besluiten.

 

De Koning stelt het bedrag vast van de rechten die aan het Instituut moeten worden betaald door de aanvragers en titularissen van de vergunningen bedoeld in artikel 3, § 1, om de uitgaven te dekken die voortvloeien uit de controle over de naleving van hun verplichtingen en van de aan hun stations en netten voor radioverbinding opgelegde voorwaarden alsmede voor het te hunner beschikking stellen van één of meer frequenties en het recht deze te gebruiken.

 

Hij bepaalt de betalingsmodaliteiten van die rechten.

 

[Gewijzigd door art. 338 van de Programmawet van 22 december 1989 (BS, 30 december 1989)]

 

Artikel 12

 

De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de houder van een vergunning voor zijn kosten wordt vergoed

wanneer hem, om redenen van openbaar belang, een technische wijziging van zijn zend- of ontvangtoestel voor

radioverbinding opgelegd wordt.

 

Artikel 13

 

Wanneer de openbare veiligheid of de verdediging van het Rijk het vergt, mag de Koning, bij een in Ministerraad

overlegd besluit, het houden of het gebruik van zend- en ontvangtoestellen voor radioverbinding geheel of

gedeeltelijk verbieden gedurende de termijn die Hij vaststelt.

 

Hij mag daartoe alle nuttige maatregelen voorschrijven, inzonderheid de toestellen onder sekwester doen plaatsen of op een bepaalde plaats doen deponeren.

 

Deze maatregelen geven geen aanleiding tot enigerlei vergoeding.

 

Artikel 14

 

§ 1. De Koning kan de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen aan de personeelsleden van het Instituut, die Hij belast met het vaststellen van overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

 

Deze personeelsleden hebben voorrang ten aanzien van andere officieren van gerechtelijke politie, met uitzondering van de procureur des Konings en van de onderzoeksrechter. Hun processen- verbaal zijn rechtsgeldig tot op bewijs van het tegendeel.

 

§ 2. De in § 1 bedoelde personeelsleden kunnen in de uitoefening van hun opdracht van gerechtelijke politie :

1° ieder gebouw en aanhorigheid betreden tussen 5 u. 's morgens en 9 u. 's avonds, wanneer zulks voor de

uitoefening van hun opdracht noodzakelijk is.

 

Indien het gaat om een woning is de machtiging van de onderzoeksrechter vereist;

 

   alle dienstige vaststellingen doen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen die bij de opsporing en

vaststelling nodig zijn, doen vertonen en die in beslag nemen;.3° alle documenten, stukken, boeken en voorwerpen in beslag nemen, voor zover dit nodig is om aan de overtreding een einde te maken.

 

[Gewijzigd door art. 8 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)].

 

Artikel 15

 

Inbreuk op de artikelen 3 en 4 van deze wet en van de ter uitvoering van artikel 13 genomen besluiten wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van tweehonderd tot tweeduizend frank of met één van die straffen alleen.

 

Inbreuk op artikel 5 van deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van tienduizend tot honderdduizend frank of met één van die straffen alleen.

 

Overtreding van de artikelen 6, 7, 8, 9 en 9bis van deze wet en van de ter uitvoering van de artikelen 7, 8, 9 en 10 genomen besluiten wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van honderd tot duizend frank of met één van die straffen alleen.

 

De verbeurdverklaring van zendtoestellen, van zend-ontvangtoestellen of van ontvangtoestellen voor

radioverbinding en van de in artikel 9bis van deze wet bedoelde toestellen, alsook van enig toebehoren dat speciaal voor de werking ervan bestemd is, wordt altijd uitgesproken

 

Artikel 8, § 1 van de wet van 29 juli 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie is niet van

toepassing op deze verbeurdverklaring.

 

De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85 zijn van

toepassing op de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

 

[Gewijzigd door art. 9 en 10 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)].

 

Artikel 16

 

De bepalingen van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering is toepasselijk bij inbreuk op de artikelen 6, 7, 8, 9 en 9bis van deze wet en van de ter uitvoering van de artikelen 7, 8, 9 en 10 genomen besluiten.

 

[Gewijzigd door art. 5 van de wet van 28 juni 1984 tot uitbreiding van het toepassingsveld van het verval van de

strafvordering voor sommige misdrijven, tegen betaling van een geldsom (BS 22 augustus 1984)]

 

[Gewijzigd door art. 11 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving (BS, 30 juni 1998)]

 

Artikel 17

 

De wet van 14 mei 1930 over de radiotelegrafie, de radiotelefonie en andere radioverbindingen, gewijzigd bij de

wetten van 24 december 1957 en 18 december 1962, wordt opgeheven.

 

De personeelsleden van het Instituut aan wie bij toepassing van het artike l 9 van die wet de hoedanigheid van agent van de gerechtelijke politie werd toegekend behouden evenwel die hoedanigheid tot de Koning in de toepassing van artikel 14 van deze wet heeft voorzien.

 

Artikel 18

 

In artikel 23, derde lid, van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon vervallen de woorden "bij artikel 1 van de wet van 14 mei 1930 op de radiotelegrafie, de radiotelefonie en andere

radioverbindingen."..

 

Artikel 19

 

De onderscheidene bepalingen van deze wet worden door de Koning in werking gesteld en toepasselijk verklaard op de data en volgens de regelen welke Hij bepaalt.

 

[Artikel 20]

 

§ 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2001 de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijnen van de Europese Unie.

§ 2. Het in § 1 bedoeld ontwerp van besluit wordt aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het

betrekking heeft, bekendgemaakt.

§ 3. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd.

 

[Ingevoegd door artikel 5 van de wet van 3 juli 2000 tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de

radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische

overheidsbedrijven (B.S. 13 juli 2000)]

 

******************************

 

Ter unformatie geven wij hier een tabel met de wijzigingen aan de wet van 30 juli 1979.  Deze wijzigingen zijn reeds vervat (zie te schuine teksten) in bovenstaande wettekst.

 

TABEL DER WIJZIGINGEN

AAN DE WET VAN 30 JULI 1979

Wet 28/06/84 (BS 22/08/84)

16

Wet 22/12/89 (BS 30/12/89)

11

KB 15/03/94 (BS 15/04/94)

1, 7, 14

Wet 30/06/94 (BS 24/01/95)

4

Wet 20/12/95 (BS 23/12/95)

2

Wet 06/05/98 (BS 30/06/98)

1, 4, 7, 8, 9, 9bis, 14, 15, 16

 

 

 

Normaliter horen hij een wet ook “uitvoeringsbelsuiten”.  Zonder deze kan neen wet niet ‘uitgevoerd’ worden.  Ze zijn dus even belangrijk als de wettekst zelf.

Voor de volledigheid geven we jullie hierna ook de lijst van de betreffende uitvoeringsbesluiten.

 

 

Lijst van de bepalingen ter uitvoering van de wet van 30 juli 1979

betreffende de radioberichtgeving gerangschikt volgens de datum van het teken ervan

Waarschuwing : zekere hernomen schikkingen in de lijst hierhonder kunnen

sinds hun verschijnen in het Belgisch Staatsblad (B.S.) afgeschaft zijn geworden

 

Auteur

Datum

B. S.

J.B.

wet 1979

Titel

Koning

15/10/79

30/10/79

1; 3; 8; 9; 10, 1ste lid; 11, 12; 19

Koninklijk besluit betreffende de private radioverbindingen

Minister

19/10/79

30/10/79

1; 3 §3; 7

Ministerieel besluit betreffende de private radioberichtgeving

Koning

20/08/81

19/09/81

3; 10; 11

Koninklijk besluit houdende reglementering voor het aanleggen en doen werken van de stations voor lokale klankradio-omroep

Minister

31/08/81

19/9/81

7

Ministerieel besluit betreffende de goedkeuring van de zendtoestellen en de stations voor lokale klankradio-omroep

Minister

19/02/82

08/06/82

7

Ministerieel besluit tot wijziging en aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

23/12/82

31/12/82

1, 5°; 10, 1ste lid

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

24/12/82

31/12/82

1; 3 §3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

09/04/85

12/04/85

1, 5°; 3; 10, 1ste lid; 11

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

10/04/85

12/04/85

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

12/07/85

10/08/85

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

28/05/86

17/07/86

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

18/12/86

24/12/86

3 §2; 11

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

19/12/86

24/12/86

3; 7

Ministerieel besluit betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs

Minister

13/11/87

01/12/87

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

17/11/87

08/12/87

3 §2

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

01/02/88

16/03/88

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

09/06/89

05/07/89

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

06/07/89

11/08/89

1, 5°en 7°; 3 §1; 10, a1ste lid; 11

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

07/07/89

11/08/89

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

07/07/89

11/08/89

-

Omzendbrief houdende organisatie van de controle en de inning der rechten met betrekking tot grondstations die enkel televisiesignalen ontvangen die doorgezonden worden via telecommunicatiesatellieten

Koning

11/09/89

18/11/89

10, 1ste lid

Koninklijk besluit betreffende de radio-elektrische storingen veroorzaakt door huishoudelijke elektrische apparaten, draagbaar gereedschap en soortgelijke appartuur

Koning

11/09/89

18/11/89

10, 1ste lid

Koninklijk besluit betreffende de radiostoringsonderdrukking bij armaturen met starter voor fluorescentieverlichting

Minister

20/11/89

22/12/89

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

06/09/90

20/11/90

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

21/05/91

05/07/91

10, 1ste lid

Koninklijk besluit betreffende de toewijzing van frequenties betemd voor de paneuropese mobilofoondienst

Koning

30/10/91

04/02/92

10, 1ste lid

Koninklijk besluit betreffende de toewijzing van frequenties bestemd voor de paneuropese semafoondienst

Koning

08/01/92

24/03/92

10, 1ste lid

Koninklijk besluit betreffende de toewijzing van de frequenties bestemd voor de digitale Europese draadloze communicatie

Koning

10/01/92

20/03/92

3; 10; 11; 12

Koninklijk besluit betreffende de klankradio-omroep in frequentiemodulatie in de band 87,5-108 MHz

Koning

02/03/92

28/05/92

3 §2

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Koning

19/06/92

12/08/92

1; 3

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

22/06/92

12/08/92

1; 3; 7

Ministerieel besluit to wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

07/08/92

29/09/92

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

27/11/92

04/12/92

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen

Minister

18/01/94

18/03/94

1; 3; 7

Ministerieel besluit tot aanvulling van het ministerieel besluit van 19 oktober 79 betreffende de private radioverbindingen

Koning

15/03/94

15/04/94

Wet van 1979

Koninklijk besluit tot aanpassing van de wetten van 30 juli 79 betreffende de radioberichtgeving en 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en teledistributienetten en betreffende de handelpubliciteit op radio en televisie, en van de reglementering betreffende de radioberichtgeving aan de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven

Koning

15/03/94

15/04/94

11

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 79 betreffende de private radioverbindingen

Minister

06/05/94

Niet gepubliceerd

 

Lastenboek nr. BE/AD-301 betreffende de toekenning van frequenties voor het aanleggen en het uitbaten van een radio-elektrisch met gedeelde middelen ("trunking netwerk")

Koning

18/05/94

24/06/94

10 §1

Koninklijk besluit betreffende de elektromagnetische compatibiliteit

Koning

07/10/94

Niet gepubliceerd

-

Koninklijk besluit houdende de machtiging van Belgacom om een dochteronderneming te betrekken bij de uitvoering van sommige van haar taken van openbare dienst inzake mobilophonie

Koning

07/03/95

08/04/95

13

Koninklijk besluit betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten

Koning

07/08/95

12/10/95

-

Koninklijk besluit tot vaststelling van de bevoegdheden inzake postdiensten, telecommunicatie en vervoer

Koning

17/07/97

22/08/97

7; 11; 13

Koninklijk besluit betreffende het opzetten en exploiteren van ERMES-semafoonnetten

Minister

17/07/97

12/09/97

7; 11; 13

Omzendbrief betreffende de structuur van het kandidatuurdossier met het oog op het verkrijgen van een vergunning voor het opzetten van exploiteren van een semafoonnet in België volgens de ERMES-norm

Koning

17/07/97

15/10/97

7; 11; 13

Koninklijk besluit betreffende het opzetten en exploiteren van ERMES-semafoonnetten - Addendum

Koning

08/09/97

05/12/97

Wet van 1979

Koninklijk besluit betreffende de aanleg en de exploitatie van het MOB2-mobilofoonnet

Koning

24/10/97

05/12/97

7; 11; 13

Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten

Koning

24/10/97

05/12/97

13

Koninklijk besluit tot wijziging van het Koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en het exploiteren van GSM-mobilofoonnetten

Minister

24/11/97

23/12/97

7; 11; 13

Omzendbrief betreffende de structuur van het kandidatuurdossier met het oog op het verkrijgen van een vergunning voor het opzetten van exploiteren van een net voor mobiele telefonie in België volgens de DCS-1800-norm

Koning

16/04/98

27/06/98

3; 11; 12

Koninklijk besluit betreffende de satellietgrondstations

Koning

13/09/98

14/10/98

7; 11; 13

Koninklijk besluit houdende de toekenning van een vergunning aan KPN-Orange Belgium n.v. voor het opzetten en exploiteren van een DCS-1800-mobilofonienetwerk

Minister

14/09/98

22/09/98

7; 13

Omzendbrief betreffende de lastenboek voor de exploitatie van persoonlijke mobiele satellietcommunicatiediensten

Koning

16/12/98

20/04/99

-

Koninklijk besluit houdende de vergunning om het MOB2-mobilofoonnet aan te leggen en te exploiteren

Minister

19/03/99

20/04/99

7, 2de lid

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 18 januari 1994 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen